|
|
|
  |
|
Verhalen
Over de ramp zijn verhalen bekend
waarin mensen uit het ramgebied over hun ervaringen vertelden. Hieronder een
drietal verhalen van mensen die de ramp hebben meegemaakt.
|
|
De familie Holleman uit
Oude-Tonge tijdens de ramp van 1953
Op zaterdagavond 31
januari 1953 was Leen Holleman met enkele vrienden naar de film geweest.
Tijdens de rampnacht werd op de deur van zijn ouderlijk huis aan de
Julianastraat geklopt. De boodschap kwam dat het zeer dreigend was en dat
het vee naar een hogere plaats moest worden gebracht. Leen maakte samen met
zijn vader Rens Holleman de beesten los. Het viel op dat de beesten die
normaal dolgraag naar buiten gingen, op dat moment niet uit de stal waren te
krijgen. De wind loeide dan ook onafgebroken. Ze waren nog maar nauwelijks
klaar met het losmaken van de koeien of vader Rens Holleman zei tegen z’n
zoon: ”We gaan naar boven Leen, want het water komt”. Als het vee niet zo
koppig zou zijn geweest, hadden ze waarschijnlijk de Molendijk wel kunnen
bereiken. |
|

|
Woonhuis en schuur waren één gebouw. In de
schuur bevonden zich de stallen.
Zowel boven als beneden in de schuur was hooi en stro opgeslagen
|
|
Al snel belandde het gezin op de zolder van het woonhuis. Deze zolder bezat
aan de voorkant schuiframen en aan de zijkant (bij het erf) een dakkapel.
Daar bevond zich eveneens een kamertje. De rest van de bovenverdieping was
zolder. Op deze zolder stond een houten tafel tegen de brandmuur. Achter
deze brandmuur bevonden zich de ‘deel’. Dat was het boerderijgedeelte waar
de dieren stonden.
Het gezin zat niet eens zo lang op zolder toen ze geroep hoorden. Aan de
voorzijde van het huis hingen twee jongens aan de stenen onderkant van de
vensterbank. Het waren kinderen van Jan van Noord (Adrianus, 15 jaar en
Kees, 12 jaar) die aan de andere kant van de Julianastraat woonden. Ze
hadden allemaal hun huis verlaten omdat het op instorten stond. De moeder en
een baby van 2 jaar waren al verdronken. De jongens werden door de
schuiframen naar binnen gehaald, even later klonk een enorm gerinkel. De
vader van de familie van Noord kwam dwars door het raam van de dakkapel het
huis in. Het was vreselijk om te zien hoe het gezicht van Jan van Noord was
gehavend door de glassplinters.
|
 |
Bovenverdieping van het
huis met aangrenzend de schuur.
|
|
Niet lang daarna voltrok zich op de zolder nog een drama. Het stro en het hooi in de stal werden door
het stijgende water omhoog gedrukt. Het kon geen kant meer op, waardoor de
brandwerende muur het begaf.
Brokstukken van de muur kwamen,
samen met kurkdroog stro, naar binnen vallen. De brokstukken zorgden ervoor
dat de olielamp die op een tafel stond omviel en binnen de kortste keren
stond het stro in brand. Leen probeerde door met zijn voeten te stampen het
vuur nog te doven. Op dat moment werd de gehele zolder door het water
opgelicht en stortte het huis in.
Leen vertelde dat, terwijl hij het stro nog aan het uittrappen was,
de zaak instortte en het dak boven hem als het ware uiteenweek, precies
boven zijn hoofd. Hij heeft dit altijd gezien en ervaren als een wonder van
God. Het was alsof de hemel boven hem scheurde. Hij wist via de opening op
één of andere manier precies op het inmiddels platte dak van het huis te
klimmen. Het dak bestond uit 2 delen die nog aan elkaar zaten, inclusief
nokpannen, een grote eternieten pijp (schoorsteen) en dakpannen.
Alhoewel hij helemaal nat was, kon Leen toch vrij gemakkelijk op het dak
komen. Eenmaal op het dak gooide hij met alle kracht die in hem was de
pannen van het oppervlak om het dak meer drijfvermogen te geven. Ondertussen
namen zijn zintuigen in flitsen van alles waar. Verschillende koeien legden
hun kop op het dak om in leven te blijven. Maar hij moest ze uit lijfsbehoud
wegduwen. Ze gingen natuurlijk ten onder. Hij probeerde uit alle macht om de
zware pijp van het dak af te krijgen. Maar hoe harder hij duwde, hoe dieper
hij met het dak in het water zakte. Uiteindelijk staakte hij zijn pogingen
om de schoorsteen eraf te krijgen.
Op het dak wemelde het van muizen en ratten, die hadden waarschijnlijk
in het stro gezeten en probeerden te ontsnappen. Leen sloeg bewust niet naar
het ongedierte omdat hij niet gebeten wilde worden. De dieren liepen in grote
paniek rond en hadden nauwelijks oog voor dat andere schepsel dat ook
in doodsnood was.
|
 |
Op de plaats waar de man staat stond het
huis van de familie Holleman.
De foto werd genomen vanaf de Stationsweg
|
Tijdens zijn verblijf op het drijvende dak heeft
hij meerdere dorpsgenoten nog gezien. Een man, eveneens op een stuk dak, was
luidkeels aan het bidden, terwijl hij heel zijn leven zwaar had gevloekt. De
ergste ervaring voor Leen was de verdrinking van Bram Dekker. Bram was een
zoontje Piet Dekker, die Leen ook had zien verdrinken. Bram probeerde het
vlot van Leen te bereiken, maar was volkomen uitgeput. Hij was op een
armlengte afstand toen hij de strijd moest opgeven.
Leen dreef met de stroom mee in de richting van
de Emmastraat, daar botste zijn vlot tegen het huis van de familie Kik. De
heer Kik eiste dat hij naar binnen kwam, maar Leen zag de zogenaamde ‘poterloods’
aan de aan de andere kant van de Stationsweg en gaf te kennen, dat hij liever
naar die loods ging. De heer Kik was echter niet te vermurwen en trok hem
naar binnen.Op de zolder bij de familie Kik hebben ze die zondag gezien hoe een
Belgische helikopter rondjes vloog in de buurt van de Julianastraat en de
Stationsweg, totdat de piloot vanwege brandstofgebrek moest landen op de Kaai.
Omdat de toestand van het huis van de familie Kik niet werd vertrouwd (het
huis maakte onheilspellende geluiden en dreigde naar hun gevoel in te
storten) werd besloten om het huis te verlaten. Met een drijvend object
(hout of een mestvaalt) zijn Leen en dhr. Kik met zijn zoon naar de
Wilhelminastraat gegaan. Daar werden ze in het laatste stukje van de straat
opgevangen in het huis van Jan Jonker, een man met een houten been. Tijdens
hun verblijf daar hebben zij om hun dorst te lessen hagelstenen opgezogen.
Volgens Leen Holleman werd hij daartoe door een soort onzichtbare hand
gedwongen.
Op maandag 2 februari zijn ze door een moddervlet (een platbodem die in de
haven werd gebruikt om te baggeren, maar die over de dijk aan de binnenkant
van het dorp was uitgezet) opgehaald. Zowel vader als de familie Kik en dhr.
Jonker werden afgezet op de hoogte bij de Kaai. Daar kregen ze bij café
‘Tonnekreek’ voor het eerst in dagen warm eten. Later zou er ook een soort
tent op de Kaai komen waar mensen warm eten konden halen. Leen Holleman is
op zoek gegaan naar familie en kennissen, hij vond zijn zus en zwager in het
cafeetje van mevr. Bezemer op de Oostdijk.
Op woensdag 4 februari werd Leen en vele anderen met de Spido naar de
Ahoy-hallen in Rotterdam vervoerd. In de Ahoy kwam hij bekenden en familie
tegen, hij werd meegenomen naar de Lier. Familie had op het nieuws gehoord
dat de bewoners van Oude Tonge naar Rotterdam werden geëvacueerd. Zij waren
naar Rotterdam gegaan om eventuele bekenden op te kunnen vangen.
Na een aantal weken bleek dat de vader en moeder van Leen waren omgekomen.
De begrafenissen vonden plaats in een stuk grond dat over de lengte van de
dijk was uitgegraven.
De uitvaartplechtigheden op het massagraf werden begeleid door de
ouderlingen Cor en Marien van Loon. Bij elke teraardebestelling werd uit de
Bijbel gelezen, gezongen werd er niet. |
 |
De slachtoffers werden op de hooggelegen
Spuidijk begraven.
|
|
Na de ramp heeft Leen Holleman, met wie wij dit
verhaal begonnen, een huis laten bouwen in Oude Tonge. Dit huis was gebouwd
met geld uit het rampenfonds. |
 |
|
De nieuwe boerderij is een kopie van de oude |
|
De bouwkosten bedroegen ca. 10 à 15 duizend
gulden. Holleman heeft geprobeerd om het huis zoveel mogelijk een kopie te
doen zijn van het ouderlijk huis aan de Julianastraat. Vanwege het kleine
budget is dit slechts ten dele gelukt. Het huis werd uiteindelijk een stuk
kleiner. De grond aan de Zuiddijk was voor de ramp al door zijn vader Rens
Holleman gekocht. De betaling had nog niet plaats gevonden.
|
|

|
Leen Holleman op de puinhopen van zijn
ouderlijk huis
|
Noot van de bewerker:
Dit originele relaas, door een vader verteld aan zijn zoon, laat zien welke
dramatische gevolgen de ramp had. |
|
|
|
|
|
Verkorte versie van het relaas van caféhouder
Jan van Looff uit Kortgene
Jan van Looff woonde in café ‘De Graaf van
Buren’ in Kortgene op Noord-Beveland. Het café lag dicht bij de haven op het
hoogste punt van het dorp. ’s Avonds rond sluitingstijd, dat was om elf uur,
ging van Looff omdat het springtij zou zijn en het hard woei nog even op de
haven kijken. Tot zijn verbazing stond het water erg hoog, terwijl het
eigenlijk laag moest zijn. Hij vertrouwde het niet en ging rond middernacht
nog eens kijken. |
|
 |
Restaurant de Graaf van Buren in Kortgene. Op
de voorgrond is de coupure van de haven te zien.
De foto werd genomen vanaf het havenplateau.
|
|
Het water stond inmiddels halverwege het
havenplateau, de zgn. veerstoep. Omdat de vloedplanken nog niet waren
aangebracht wekte de caféhouder zijn buren. Met zijn zoons en enkele buren
heeft van Looff de planken aangebracht. Een van zijn zoons werd naar café
‘De Korenbeurs’ gestuurd met de boodschap wat er gaande was. In dit café was
het gemeentebestuur aan het feestvieren omdat die dag in Kortgene het nieuwe
gemeentehuis was geopend. |
|
 |
|
Restaurant de Korenbeurs
in Kortgene
|
|
De havenmeester kwam naar de
haven en sprak van Looff bestraffend toe. Hij moest ‘met
zijn poten van de vloedplanken afblijven’. Van Looff werd
nijdig en zei: ‘Ga direct naar de Korenbeurs en zeg dat er
iets bijzonders met het water gaat gebeuren’. De
havenmeester ging terug en zei dat het zo’n vaart niet zou
lopen. Er kwam verder niemand opdagen. Van Looff liet om
één uur ’s nachts de klok luiden en liet een zoon nog even
aanlopen in de Korenbeurs. Er werden zandzakken gevuld om
tegen de planken te leggen. Inmiddels stond de veerdam
onder water. Tussen drie uur en half vier hoorde van Looff
geruis van water en hulpgeschreeuw vanaf een dijkje. Hij
kon er niet naar toe, ‘het leek net een waterval’. Na een
dijkdoorbraak ‘kwam het water met razende vaart op de
woningen af, zodat in een ogenblik tijd vele (woningen)
instorten’. De feestgangers waren ‘verbluft bij het
aanschouwen van al dat water’. De havenmeester, die ‘de
raad van van Looff in de wind had geslagen’, kwam evenals
zijn vrouw om.
|
|
 |
|
Veel mensen kwamen om in
Kortgene
|
|
Inmiddels waren er 53 mensen
in ‘De Graaf van Buren’, waaronder een aantal gewonden. De
meeste waren in nachtkleding; de familie van Looff deelde
kleding uit. Bij daglicht was het water zover was gezakt
dat de voorkamer en de eetkamer gebruikt konden worden.
Van Looff liet water, brood en medische hulp halen.
Daarna werd de evacuatie in gang gezet, de mensen werden
voorlopig naar andere dorpen gebracht. Er werden steeds
mensen uit hun huizen gehaald die in ‘de Graaf van Buren’
of in het café van zijn broer Marien werden opgevangen.
Van Looff noemt 103 personen bij hem een nacht
doorbrachten. Op dinsdagavond (!) kwamen de burgemeester
en wethouders van de naburige
gemeente Colijnsplaat eens kijken hoe het er in Kortgene
bijstond. De droppings kwamen goed terecht, doordat van Looff
op de juiste plek met een vlag zwaaide. |
 |
De verdeling van goederen
vond plaats door een door het gemeentebestuur ingestelde
commissie. Ook kwamen er politieagenten om diefstal tegen
te gaan. Van Looff en zijn vrouw, twee dochters en nog een
paar meisjes maakten in die dagen eten klaar voor zo’n 100
personen.
Van Looff vermeldde in zijn
relaas ook de onterechte opsluiting van een paar jongens
die werden verdacht van zwarte handel in fruit. Toen de
droppings stopten moesten de schoonmaakploegen zelf hun
eten betalen.
|
|
De caféhouder werd niet op
zijn woorden geloofd en raakte in conflict met het
gemeentebestuur over de aanwezigheid van etenswaren in
zijn huis. Hij kreeg wel
een onkostenvergoeding voor het eten en drinken van de
politiemannen; hij noemde f 3,50 per man per dag ‘niet
overbodig’, d.w.z. niet teveel. Toen er in de school
kleding en beddengoed werd uitgedeeld kreeg de vrouw van
van Looff niets uitgedeeld. Later kregen ze alsnog
beddengoed en onderkleding mee. Van Looff mocht met de
meisjes die hem geholpen hadden cadeautjes kopen.
|
 |
De paal op de begraafplaats
geeft aan hoe hoog het water in Kortgene heeft gestaan.
|
|
Aan het eind van zijn relaas
schrijft de caféhouder dat hij, noch zijn vrouw en
kinderen, nooit een bedankje hebben gekregen. Hij beklaagt
zich erover dat sommigen dachten dat hij beter zou zijn
geworden van de ramp. Tenslotte somt hij alle verliezen
nog eens op, tot de laarzen toe die hij had uitgeleend.
Het geld, een paar duizend gulden, dat hij kreeg van het
rampenfonds werd drie maanden door de belastingdienst
teruggeëist omdat van Looff dit naar eigen zeggen ‘niet
toekwam’. In de laatste alinea verwijt Jan van Looff zich
dat hij er niet aan heeft gedacht de polder in te gaan om
mensen te redden.
De laatste zinnen van het
getypte relaas van de caféhouder nemen we in z’n geheel
over.
‘Verder wil ik er niet meer
aan toevoegen. Vermoedelijk zal ik nog wel het één en
ander vergeten hebben. Dit is het droevige relaas en de
zuivere waarheid van de ramp in Kortgene.’
Noot van de bewerker:
Het relaas van Jan van Looff
is waarheidsgetrouw. Het
verhaal is hier en daar gekleurd, van Looff kreeg ruzie
met de havenmeester, die wel kwam kijken op de haven en
zei
dat ‘het zo’n vaart niet zou lopen”. Ook in het nauwkeurig
noemen van datums en andere feiten schiet hij enigszins
tekort.
Het is begrijpelijk dat van
Looff door de hele gang van zaken een teleurgesteld en
verbitterd man was. De plaatselijke bestuurders waren een
voorbeeld van hoe het niet moet. Na de onderschatting van
het woedende water werd de hulpverlening niet goed
geregeld. Waarom nu juist Jan van Looff werd gewantrouwd
blijft een raadsel.
|
|
|
|
|
|
|
De familie Koningswoud
Dit verhaal werd gepubliceerd onder de titel
‘met negen kinderen op wat drijvend stro.’ Het zijn ervaringen van het gezin
Koningswoud die in een kleine boerderij tussen Oude-Tonge en Stad aan ’t
Haringvliet woonde. Het gezin ging, ondanks de wind die als een razende
tekeer ging, op zaterdagavond gewoon naar bed. Een van de kinderen, die
dacht dat het dak doorregende, maakte zijn ouders de volgende morgen even na
zeven uur wakker. Maar het was anders, het water spoelde al onder de deur
door.
|
 |
Dhr. A. Koningwoud op de plaats waar eens
zijn ouderlijk huis stond
|
|
|
 |
De pijl geeft de richting van het water aan.
Het huis (de rode stip) stond op korte afstand van Stad aan 't Haringvliet,
dat niet direct werd getroffen door de ramp.
|
|
Vader Stoffel Koningswoud begreep wat er aan de
hand was en stuurde iedereen naar boven. Nadat hij de nog slapende buren had
gewekt stond vader Koningswoud op de dijk, hij begreep dat het huis het niet
zou houden. Vanaf de dijk gooide Stoffel Koningswoud een stapel stropakken
in het kolkende water. Ze werden tegengehouden door een stenen rand. Zijn
vrouw en de kinderen zaten inmiddels op het platte dak van de keuken. De
oudste zoon zag in wat er gebeurde en duwde een ijzeren beddespiraal uit het
raam. Dit werd samen met het drijvende stro een brug die het gezin het leven
redde. Vader Koningswoud die inmiddels tot aan zijn borst in het water stond
ving zijn kinderen op. Het jongste kind werd na hevig aandringen door de
moeder in de handen van de vader gegooid. Kort nadat ook moeder Martina
Koningswoud het huis via de noodbrug had verlaten stortte het huis in. Het
gezin bereikte de dijk en wachtte daar omringd door water en wind de dingen
af.
|
|
 |
Bij de boom stond het huis van de familie
Koningswoud
|
|
Met als enige bedekking twee kletsnatte dekens brachten ze, zonder eten en
drinken, de zondag door in de luwte van een heg. Tegen de avond bouwden ze
van drijvend wrakhout en takken een primitief onderkomen. Temidden van water
en wind zongen ze een psalm. Toen volgde een nacht waaraan geen einde leek
te komen. De volgende morgen dreef de vloed wat winterpeen en uien naar de
dijk. De peen werd in stukjes gesneden en verdeeld. Het werd elf uur, het
gezin had meer dan een etmaal zonder warmte, eten en drinken doorgebracht.
Eindelijk daagde er hulp. Twee jonge schippers uit Middelharnis hebben het
gezin gered; ze werden naar een kleine boerderij gebracht. Op een Spido-boot
die het gezin buiten het rampgebied bracht ontmoetten ze Marijke Teunisse.
Zij drong er bij een van dochters van Koningswoud op aan haar ouders in
Loosduinen te bellen.
|
 |
Het huis van de familie
Koningswoud voor de ramp (er woonde toen een andere
familie)
Via het bovenraam zijn ze op de aanbouw gestapt.
Op de achtergrond zie je de schuur
|
|
Zo gebeurde het dat het gezin Koningswoud na de eerste opvang in de
Ahoy-hallen in Rotterdam in Loosduinen terechtkwam. Niet alle gezinsleden
konden onder één dak worden ondergebracht maar wel in elkaars directe
nabijheid, buren van de familie Teunisse boden gezinsleden onderdak. Daar
kwamen van alle kanten goederen binnen. Na terugkeer betrok de familie een
huis in Stad aan ’t Haringvliet. |
|
|
|

De familie Koningswoud met de heer en mevrouw
Teunisse |
|
|
|
Noot van de bewerker:
Het relaas van de familie Koningswoud laat zien hoe de ramp mensen in een
afgelegen polder trof. |