(c) On'wijs 2003

1 februari  het leed  evacuatie   de slachtoffers   kinderen   dieren  schade   koningshuis

Verhalen
Over de ramp zijn verhalen bekend waarin mensen uit het ramgebied over hun ervaringen vertelden. Hieronder een drietal verhalen van mensen die de ramp hebben meegemaakt.
 

De familie Holleman uit Oude-Tonge tijdens de ramp van 1953
Op zaterdagavond 31 januari 1953 was Leen Holleman met enkele vrienden naar de film geweest. Tijdens de rampnacht werd op de deur van zijn ouderlijk huis aan de Julianastraat geklopt. De boodschap kwam dat het zeer dreigend was en dat het vee naar een hogere plaats moest worden gebracht. Leen maakte samen met zijn vader Rens Holleman de beesten los. Het viel op dat de beesten die normaal dolgraag naar buiten gingen, op dat moment niet uit de stal waren te krijgen. De wind loeide dan ook onafgebroken. Ze waren nog maar nauwelijks klaar met het losmaken van de koeien of vader Rens Holleman zei tegen z’n zoon: ”We gaan naar boven Leen, want het water komt”. Als het vee niet zo koppig zou zijn geweest, hadden ze waarschijnlijk de Molendijk wel kunnen bereiken.

Woonhuis en schuur waren één gebouw. In de schuur bevonden zich de stallen.
Zowel boven als beneden in de schuur was hooi en stro opgeslagen
 

Al snel belandde het gezin op de zolder van het woonhuis. Deze zolder bezat aan de voorkant schuiframen en aan de zijkant (bij het erf) een dakkapel. Daar bevond zich eveneens een kamertje. De rest van de bovenverdieping was zolder. Op deze zolder stond een houten tafel tegen de brandmuur. Achter deze brandmuur bevonden zich de ‘deel’. Dat was het boerderijgedeelte waar de dieren stonden.

Het gezin zat niet eens zo lang op zolder toen ze geroep hoorden. Aan de voorzijde van het huis hingen twee jongens aan de stenen onderkant van de vensterbank. Het waren kinderen van Jan van Noord (Adrianus, 15 jaar en Kees, 12 jaar) die aan de andere kant van de Julianastraat woonden. Ze hadden allemaal hun huis verlaten omdat het op instorten stond. De moeder en een baby  van 2 jaar waren al verdronken. De jongens werden door de schuiframen naar binnen gehaald, even later klonk een enorm gerinkel. De vader van de familie van Noord  kwam dwars door het raam van de dakkapel het huis in. Het was vreselijk om te zien hoe het gezicht van Jan van Noord was gehavend door de glassplinters.

Bovenverdieping van het huis met aangrenzend de schuur.
 

Niet lang daarna voltrok zich op de zolder nog een drama. Het stro en het hooi in de stal werden door het stijgende water omhoog gedrukt. Het kon geen kant meer op, waardoor de brandwerende muur het begaf. Brokstukken van de muur kwamen, samen met kurkdroog stro, naar binnen vallen. De brokstukken zorgden ervoor dat de olielamp die op een tafel stond omviel en binnen de kortste keren stond het stro in brand. Leen probeerde door met zijn voeten te stampen het vuur nog te doven. Op dat moment werd de gehele zolder door het water opgelicht en stortte het huis in.
Leen vertelde dat, terwijl hij het stro nog aan het uittrappen was, de zaak instortte en het dak boven hem als het ware uiteenweek, precies boven zijn hoofd. Hij heeft dit altijd gezien en ervaren als een wonder van God. Het was alsof de hemel boven hem scheurde. Hij wist via de opening op één of andere manier precies op het inmiddels platte dak van het huis te klimmen. Het dak bestond uit 2 delen die nog aan elkaar zaten, inclusief nokpannen, een grote eternieten pijp (schoorsteen) en dakpannen.

Alhoewel hij helemaal nat was, kon Leen toch vrij gemakkelijk op het dak komen. Eenmaal op het dak gooide hij met alle kracht die in hem was de pannen van het oppervlak om het dak meer drijfvermogen te geven. Ondertussen namen zijn zintuigen in flitsen van alles waar. Verschillende koeien legden hun kop op het dak om in leven te blijven. Maar hij moest ze uit lijfsbehoud wegduwen. Ze gingen natuurlijk ten onder. Hij probeerde uit alle macht om de zware pijp van het dak af te krijgen. Maar hoe harder hij duwde, hoe dieper hij met het dak in het water zakte. Uiteindelijk staakte hij zijn pogingen om de schoorsteen eraf te krijgen. 
Op het dak wemelde het van muizen en ratten, die hadden waarschijnlijk in het stro gezeten en probeerden te ontsnappen. Leen sloeg bewust niet naar het ongedierte omdat hij niet gebeten wilde worden. De dieren liepen in grote paniek rond en hadden nauwelijks oog voor dat andere schepsel dat ook in doodsnood was.
 

Op de plaats waar de man staat stond het huis van de familie Holleman.
De foto werd genomen vanaf de Stationsweg
 
Tijdens zijn verblijf op het drijvende dak heeft hij meerdere dorpsgenoten nog gezien. Een man, eveneens op een stuk dak, was luidkeels aan het bidden, terwijl hij heel zijn leven zwaar had gevloekt. De ergste ervaring voor Leen was de verdrinking van Bram Dekker. Bram was een zoontje Piet Dekker, die Leen ook had zien verdrinken. Bram probeerde het vlot van Leen te bereiken, maar was volkomen uitgeput. Hij was op een armlengte afstand toen hij de strijd moest opgeven.

Leen dreef met de stroom mee in de richting van de Emmastraat, daar botste zijn vlot tegen het huis van de familie Kik. De heer Kik eiste dat hij naar binnen kwam, maar Leen zag de zogenaamde ‘poterloods’ aan de aan de andere kant van de Stationsweg en gaf te kennen, dat hij liever naar die loods ging. De heer Kik was echter niet te vermurwen en trok hem naar binnen.Op de zolder bij de familie Kik hebben ze die zondag gezien hoe een Belgische helikopter rondjes vloog in de buurt van de Julianastraat en de Stationsweg, totdat de piloot vanwege brandstofgebrek moest landen op de Kaai.
Omdat de toestand van het huis van de familie Kik niet werd vertrouwd (het huis maakte onheilspellende geluiden en dreigde naar hun gevoel in te storten) werd besloten om het huis te verlaten. Met een drijvend object (hout of een mestvaalt) zijn Leen en dhr. Kik met zijn zoon naar de Wilhelminastraat gegaan. Daar werden ze in het laatste stukje van de straat opgevangen in het huis van Jan Jonker, een man met een houten been. Tijdens hun verblijf daar hebben zij om hun dorst te lessen hagelstenen opgezogen. Volgens Leen Holleman werd hij daartoe door een soort onzichtbare hand gedwongen.

Op maandag 2 februari zijn ze door een moddervlet (een platbodem die in de haven werd gebruikt om te baggeren, maar die over de dijk aan de binnenkant van het dorp was uitgezet) opgehaald. Zowel vader als de familie Kik en dhr. Jonker werden afgezet op de hoogte bij de Kaai. Daar kregen ze bij café ‘Tonnekreek’ voor het eerst in dagen warm eten. Later zou er ook een soort tent op de Kaai komen waar mensen warm eten konden halen. Leen Holleman is op zoek gegaan naar familie en kennissen, hij vond zijn zus en zwager in het cafeetje van mevr. Bezemer op de Oostdijk.
Op woensdag 4 februari werd Leen en vele anderen met de Spido naar de Ahoy-hallen in Rotterdam vervoerd. In de Ahoy kwam hij bekenden en familie tegen, hij werd meegenomen naar de Lier. Familie had op het nieuws gehoord dat de bewoners van Oude Tonge naar Rotterdam werden geëvacueerd. Zij waren naar Rotterdam gegaan om eventuele bekenden op te kunnen vangen.

Na een aantal weken bleek dat de vader en moeder van Leen waren omgekomen. De begrafenissen vonden plaats in een stuk grond dat over de lengte van de dijk was uitgegraven. De uitvaartplechtigheden op het massagraf werden begeleid door de ouderlingen Cor en Marien van Loon. Bij elke teraardebestelling werd uit de Bijbel gelezen, gezongen werd er niet.

De slachtoffers werden op de hooggelegen Spuidijk begraven.
 
Na de ramp heeft Leen Holleman, met wie wij dit verhaal begonnen, een huis laten bouwen in Oude Tonge. Dit huis was gebouwd met geld uit het rampenfonds.
De nieuwe boerderij is een kopie van de oude


 De bouwkosten bedroegen ca. 10 à 15 duizend gulden. Holleman heeft geprobeerd om het huis zoveel mogelijk een kopie te doen zijn van het ouderlijk huis aan de Julianastraat. Vanwege het kleine budget is dit slechts ten dele gelukt. Het huis werd uiteindelijk een stuk kleiner. De grond aan de Zuiddijk was voor de ramp al door zijn vader Rens Holleman gekocht. De betaling had nog niet plaats gevonden.

Leen Holleman op de puinhopen van zijn ouderlijk huis
 
Noot van de bewerker:
Dit originele relaas, door een vader verteld aan zijn zoon, laat zien welke dramatische gevolgen de ramp had.
 
 

Verkorte versie van het relaas van caféhouder Jan van Looff uit Kortgene

Jan van Looff woonde in café ‘De Graaf van Buren’ in Kortgene op Noord-Beveland. Het café lag dicht bij de haven op het hoogste punt van het dorp. ’s Avonds rond sluitingstijd, dat was om elf uur, ging van Looff omdat het springtij zou zijn en het hard woei nog even op de haven kijken. Tot zijn verbazing stond het water erg hoog, terwijl het eigenlijk laag moest zijn. Hij vertrouwde het niet en ging rond middernacht nog eens kijken.

Restaurant de Graaf van Buren in Kortgene. Op de voorgrond is de coupure van de haven te zien.
De foto werd genomen vanaf het havenplateau.
 

Het water stond inmiddels halverwege het havenplateau, de zgn. veerstoep. Omdat de vloedplanken nog niet waren aangebracht wekte de caféhouder zijn buren. Met zijn zoons en enkele buren heeft van Looff de planken aangebracht. Een van zijn zoons werd naar café ‘De Korenbeurs’ gestuurd met de boodschap wat er gaande was. In dit café was het gemeentebestuur aan het feestvieren omdat die dag in Kortgene het nieuwe gemeentehuis was geopend.

Restaurant de Korenbeurs in Kortgene
 

De havenmeester kwam naar de haven en sprak van Looff bestraffend toe. Hij moest ‘met zijn poten van de vloedplanken afblijven’. Van Looff werd nijdig en zei: ‘Ga direct naar de Korenbeurs en zeg dat er iets bijzonders met het water gaat gebeuren’. De havenmeester ging terug en zei dat het zo’n vaart niet zou lopen. Er kwam verder niemand opdagen. Van Looff liet om één uur ’s nachts de klok luiden en liet een zoon nog even aanlopen in de Korenbeurs. Er werden zandzakken gevuld om tegen de planken te leggen. Inmiddels stond de veerdam onder water. Tussen drie uur en half vier hoorde van Looff geruis van water en hulpgeschreeuw vanaf een dijkje. Hij kon er niet naar toe, ‘het leek net een waterval’. Na een dijkdoorbraak ‘kwam het water met razende vaart op de woningen af, zodat in een ogenblik tijd vele (woningen) instorten’. De feestgangers waren ‘verbluft bij het aanschouwen van al dat water’. De havenmeester, die ‘de raad van van Looff in de wind had geslagen’, kwam evenals zijn vrouw om.

Veel mensen kwamen om in Kortgene
 

Inmiddels waren er 53 mensen in ‘De Graaf van Buren’, waaronder een aantal gewonden. De meeste waren in nachtkleding; de familie van Looff deelde kleding uit. Bij daglicht was het water zover was gezakt dat de voorkamer en de eetkamer gebruikt konden worden. Van Looff liet water, brood en medische hulp halen. Daarna werd de evacuatie in gang gezet, de mensen werden voorlopig naar andere dorpen gebracht. Er werden steeds mensen uit hun huizen gehaald die in ‘de Graaf van Buren’ of in het café van zijn broer Marien werden opgevangen. Van Looff noemt 103 personen bij hem een nacht doorbrachten. Op dinsdagavond (!) kwamen de burgemeester en wethouders van de naburige gemeente Colijnsplaat eens kijken hoe het er in Kortgene bijstond. De droppings kwamen goed terecht, doordat van Looff op de juiste plek met een vlag zwaaide.

De verdeling van goederen vond plaats door een door het gemeentebestuur ingestelde commissie. Ook kwamen er politieagenten om diefstal tegen te gaan. Van Looff en zijn vrouw, twee dochters en nog een paar meisjes maakten in die dagen eten klaar voor zo’n 100 personen.
 

Van Looff vermeldde in zijn relaas ook de onterechte opsluiting van een paar jongens die werden verdacht van zwarte handel in fruit. Toen de droppings stopten moesten de schoonmaakploegen zelf hun eten betalen.

De caféhouder werd niet op zijn woorden geloofd en raakte in conflict met het gemeentebestuur over de aanwezigheid van etenswaren in zijn huis. Hij kreeg wel een onkostenvergoeding voor het eten en drinken van de politiemannen; hij noemde f 3,50 per man per dag ‘niet overbodig’, d.w.z. niet teveel. Toen er in de school kleding en beddengoed werd uitgedeeld kreeg de vrouw van van Looff niets uitgedeeld. Later kregen ze alsnog beddengoed en onderkleding mee. Van Looff mocht met de meisjes die hem geholpen hadden cadeautjes kopen.

 

De paal op de begraafplaats geeft aan hoe hoog het water in Kortgene heeft gestaan.
 

Aan het eind van zijn relaas schrijft de caféhouder dat hij, noch zijn vrouw en kinderen, nooit een bedankje hebben gekregen. Hij beklaagt zich erover dat sommigen dachten dat hij beter zou zijn geworden van de ramp. Tenslotte somt hij alle verliezen nog eens op, tot de laarzen toe die hij had uitgeleend. Het geld, een paar duizend gulden, dat hij kreeg van het rampenfonds werd drie maanden door de belastingdienst teruggeëist omdat van Looff dit naar eigen zeggen ‘niet toekwam’. In de laatste alinea verwijt Jan van Looff zich dat hij er niet aan heeft gedacht de polder in te gaan om mensen te redden.

De laatste zinnen van het getypte relaas van de caféhouder nemen we in z’n geheel over.

‘Verder wil ik er niet meer aan toevoegen. Vermoedelijk zal ik nog wel het één en ander vergeten hebben. Dit is het droevige relaas en de zuivere waarheid van de ramp in Kortgene.’

 

Noot van de bewerker:

Het relaas van Jan van Looff is waarheidsgetrouw. Het verhaal is hier en daar gekleurd, van Looff kreeg ruzie met de havenmeester, die wel kwam kijken op de haven en zei dat ‘het zo’n vaart niet zou lopen”. Ook in het nauwkeurig noemen van datums en andere feiten schiet hij enigszins tekort.

Het is begrijpelijk dat van Looff door de hele gang van zaken een teleurgesteld en verbitterd man was. De plaatselijke bestuurders waren een voorbeeld van hoe het niet moet. Na de onderschatting van het woedende water werd de hulpverlening niet goed geregeld. Waarom nu juist Jan van Looff werd gewantrouwd blijft een raadsel.

 

 

 

De familie Koningswoud

Dit verhaal werd gepubliceerd onder de titel ‘met negen kinderen op wat drijvend stro.’ Het zijn ervaringen van het gezin Koningswoud die in een kleine boerderij tussen Oude-Tonge en Stad aan ’t Haringvliet woonde. Het gezin ging, ondanks de wind die als een razende tekeer ging, op zaterdagavond gewoon naar bed. Een van de kinderen, die dacht dat het dak doorregende, maakte zijn ouders de volgende morgen even na zeven uur wakker. Maar het was anders, het water spoelde al onder de deur door.

Dhr. A. Koningwoud op de plaats waar eens zijn ouderlijk huis stond
 
 
De pijl geeft de richting van het water aan. Het huis (de rode stip) stond op korte afstand van Stad aan 't Haringvliet, dat niet direct werd getroffen door de ramp.
 

Vader Stoffel Koningswoud begreep wat er aan de hand was en stuurde iedereen naar boven. Nadat hij de nog slapende buren had gewekt stond vader Koningswoud op de dijk, hij begreep dat het huis het niet zou houden. Vanaf de dijk gooide Stoffel Koningswoud een stapel stropakken in het kolkende water. Ze werden tegengehouden door een stenen rand. Zijn vrouw en de kinderen zaten inmiddels op het platte dak van de keuken. De oudste zoon zag in wat er gebeurde en duwde een ijzeren beddespiraal uit het raam. Dit werd samen met het drijvende stro een brug die het gezin het leven redde. Vader Koningswoud die inmiddels tot aan zijn borst in het water stond ving zijn kinderen op. Het jongste kind werd na hevig aandringen door de moeder in de handen van de vader gegooid. Kort nadat ook moeder Martina Koningswoud het huis via de noodbrug had verlaten stortte het huis in. Het gezin bereikte de dijk en wachtte daar omringd door water en wind de dingen af.

Bij de boom stond het huis van de familie Koningswoud
 

Met als enige bedekking twee kletsnatte dekens brachten ze, zonder eten en drinken, de zondag door in de luwte van een heg. Tegen de avond bouwden ze van drijvend wrakhout en takken een primitief onderkomen. Temidden van water en wind zongen ze een psalm. Toen volgde een nacht waaraan geen einde leek te komen. De volgende morgen dreef de vloed wat winterpeen en uien naar de dijk. De peen werd in stukjes gesneden en verdeeld. Het werd elf uur, het gezin had meer dan een etmaal zonder warmte, eten en drinken doorgebracht. Eindelijk daagde er hulp. Twee jonge schippers uit Middelharnis hebben het gezin gered; ze werden naar een kleine boerderij gebracht. Op een Spido-boot die het gezin buiten het rampgebied bracht ontmoetten ze Marijke Teunisse. Zij drong er bij een van dochters van Koningswoud op aan haar ouders in Loosduinen te bellen.

Het huis van de familie Koningswoud voor de ramp (er woonde toen een andere familie)
Via het bovenraam zijn ze op de aanbouw gestapt.
Op de achtergrond zie je de schuur
 
Zo gebeurde het dat het gezin Koningswoud na de eerste opvang in de Ahoy-hallen in Rotterdam in Loosduinen terechtkwam. Niet alle gezinsleden konden onder één dak worden ondergebracht maar wel in elkaars directe nabijheid, buren van de familie Teunisse boden gezinsleden onderdak. Daar kwamen van alle kanten goederen binnen. Na terugkeer betrok de familie een huis in Stad aan ’t Haringvliet.
 


De familie Koningswoud met de heer en mevrouw Teunisse

 

Noot van de bewerker:
Het relaas van de familie Koningswoud laat zien hoe de ramp mensen in een afgelegen polder trof.