|
In het Deltaplan
stond, dat het Haringvliet, het Brouwershavense Gat, de
Oosterschelde en het Veerse Gat afgesloten zouden worden. De
andere zeegaten (Westerschelde en Nieuwe Waterweg) zouden
niet worden afgesloten. Door de Westerschelde moeten zeeschepen naar
de Antwerpse haven kunnen varen. Door de Nieuwe Waterweg
moeten zeeschepen de Rotterdamse haven kunnen bereiken. Daarom
werden de gebieden bij deze twee zeegaten beveiligd door hoge, brede dijken. Toen in
1986 de Oosterscheldekering was gebouwd, waren de deltawerken
klaar.
Er was nog een
probleem in Zuid-Holland. Langs de Nieuwe Waterweg was het
moeilijk om een dijk te bouwen. Omdat het gebied aan de Nieuwe
Waterweg dichtbevolkt en dichtbebouwd is, was er weinig ruimte
voor een dijk. In
sommige plaatsen moesten huizen afgebroken worden om de dijk te
kunnen
bouwen. Hiertegen kwam veel protest.
In de jaren tachtig van de 20e eeuw kwam Rijkswaterstaat erachter,
dat de geplande dijk niet hoog genoeg zou zijn. Het bouwen
van de dijk zou daarom erg duur worden.
 |
Rijkswaterstaat
liet onderzoeken of het mogelijk was een
beweegbare stormvloedkering te maken in de Nieuwe
Waterweg. Die moest zo gebouwd worden, dat de haven van
Rotterdam bereikbaar zou blijven.
In de rivier de Thames bij Londen (Engeland) was in 1982
al zo'n soortgelijke kering gebouwd. De kering in de Nieuwe
Waterweg moest een veel grotere opening hebben,
zodat ook zeeschepen naar Rotterdam konden varen.
Na onderzoek
bleek, dat zo'n kering een stuk goedkoper was, dan het
bouwen van een dijk. En dat het werk veel sneller klaar
zou zijn.
In 1987 besliste de Nederlandse regering om een
stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg te gaan bouwen.
|

|