|
De regering besloot in
1974, dat de Oosterschelde niet met een vaste dam
afgesloten zou worden. Dat betekende, dat eb eb vloed in de
Oosterschelde zouden blijven. En dat terwijl de regering
in 1968 met België had afgesproken, dat er een getijdenvrije
vaarroute van Rotterdam naar Antwerpen zou komen. Speciaal
daarvoor had België (op Nederlands grondgebied) het Schelde-Rijnkanaal en de Kreekraksluizen laten bouwen.
Omdat Nederland de afspraak met België na wilde komen, moesten er meer dammen
gebouwd worden.
Door de bouw van de
Oosterscheldekering zou het verschil tussen eb en vloed in de
Oosterschelde kleiner worden. Dat is niet goed voor de mossels
en de oesters in de Oosterschelde. Door de Oosterschelde kleiner
te maken, zou het verschil tussen eb en vloed weer groter
worden. Daarvoor moest de Oosterschelde opgedeeld worden in
kleinere stukken (compartimenten). De extra dammen, die hiervoor
gebouwd werden, worden compartimenteringsdammen genoemd.
Eén van die
compartimenteringsdammen is de Oesterdam. De Oesterdam moest
komen tussen Tholen en de Kreekraksluizen op Zuid-Beveland.
Om het bouwen van de Oesterdam veiliger en makkelijker te maken,
werd eerst de Markiezaatskade aangelegd.
|