(c) On'wijs 2003

algerakering  zandkreekdam  veerse gatdam  grevelingendam  zeelandbrug  volkerakdam  haringvlietdam  brouwersdam  oosterscheldekering  markiezaatskade  oesterdam  bathse spuisluis  philipsdam  maeslantkering  hartelkering  westerscheldetunnel  overige werken

De regering besloot in 1974, dat de Oosterschelde niet met een vaste dam afgesloten zou worden. Dat betekende, dat eb eb vloed in de Oosterschelde zouden blijven. En dat terwijl de regering in 1968 met België had afgesproken, dat er een getijdenvrije vaarroute van Rotterdam naar Antwerpen zou komen. Speciaal daarvoor had België (op Nederlands grondgebied) het Schelde-Rijnkanaal en de Kreekraksluizen laten bouwen. 
Omdat Nederland de afspraak met België na wilde komen, moesten er meer dammen gebouwd worden.

Door de bouw van de Oosterscheldekering zou het verschil tussen eb en vloed in de Oosterschelde kleiner worden. Dat is niet goed voor de mossels en de oesters in de Oosterschelde. Door de Oosterschelde kleiner te maken, zou het verschil tussen eb en vloed weer groter worden. Daarvoor moest de Oosterschelde opgedeeld worden in kleinere stukken (compartimenten). De extra dammen, die hiervoor gebouwd werden, worden compartimenteringsdammen genoemd.

Eén van die compartimenteringsdammen is de Oesterdam. De Oesterdam moest komen tussen Tholen en de Kreekraksluizen op Zuid-Beveland. Om het bouwen van de Oesterdam veiliger en makkelijker te maken, werd eerst de Markiezaatskade aangelegd.