|
De beslissing van de
regering om de Oosterschelde niet af te sluiten met een gesloten
dam betekende, dat er nog meer Deltawerken gebouwd moesten
worden. In 1968 had Nederland met België beloofd, dat er door
de bouw van de Oosterscheldedam een getijdenvrije vaarroute
tussen Rotterdam en Antwerpen zou ontstaan. Speciaal daarvoor
had België (op Nederlands grondgebied) het Schelde-Rijnkanaal
laten bouwen. Omdat de gesloten
Oosterscheldedam niet gebouwd werd, kon Nederland haar belofte
niet nakomen.
Door de bouw van de werkeilanden in de monding van de
Oosterschelde en door de dorpels en pijlers van de
Oosterscheldekering zou het verschil tussen eb en vloed in de
Oosterschelde afnemen. Dat was slecht voor de natuur in de
Oosterschelde. Daarom moest de Oosterschelde kleiner gemaakt
worden. In een kleinere Oosterschelde te maken, zou het verschil
tussen eb en vloed weer groter worden.
Daarom werden de Markiezaatskade, Oesterdam en Philipsdam
gebouwd.
De Philipsdam moest
gebouwd worden tussen Sint-Philipsland en de Grevelingendam. De
dam sloot de Krammer af en is de scheiding tussen zoet en zout
water.
Voor de scheepvaart kwam er een groot schutsluizencomplex, de
Krammersluizen. Door deze sluizen kunnen schepen vanuit
Rotterdam en Moerdijk naar Vlissingen en Terneuzen
varen, zonder over de Noordzee te moeten.
|