Elck sinen dike
De bedijkte stukken land werden polders genoemd. De
grondeigenaren waren verantwoordelijk voor het onderhoud van de
dijken. Dat onderhoud bleef beperkt tot de eigen polder. Ieder
zorgde voor zijn eigen stukje dijk. (Elck sinen dike).
Er werd ook wel gezegd:
Wie 't water deert,
die 't water keert.
Op die manier ontstond een lappendeken aan polders, met elk hun
eigen bestuur. In het bestuur zaten boeren met veel grond. De
voorzitter wordt dijkgraaf genoemd. De polderbesturen, die later
waterschappen werden genoemd, werkten niet of nauwelijks samen.
Achteraf gezien werd ook te weinig geld uitgetrokken voor het
noodzakelijke onderhoud. De boeren vonden de polderlasten al
gauw te hoog. Je kon je geld beter uitgeven aan je boerderij of
je grond.
Van een gemeenschappelijk beheer van de buitendijken, die
grensden aan het water, was geen sprake. De polders die
grensden aan het water waren natuurlijk meer geld kwijt dan
andere polders. Het was eerlijker geweest wanneer de lasten
beter verdeeld werden, maar ieder dacht alleen aan zichzelf.
Dit was één van de oorzaken van veel overstromingen, waaronder
de ramp van 1953.
In 1953 waren er in Zeeland 387 polder en waterschapsbesturen.
Dit aantal laat zien dat van samenwerking nauwelijks sprake
was.
|

|
<< Polderbesturen aan de zeekant (groen) waren altijd
meer geld kwijt dan de binnenpolders (rood).
Meestal waren de bestuurders van de
binnenpolders niet bereid om mee te betalen aan het beheer van
de buitendijken of zeedijken. |
|